Geschiedenis bengaal De Bengaal stamt af van kruisingen tussen een gedomesticeerde kat en een Bengaalse tijgerkat de (Felis bengalensis), in de V.S. beter bekend onder de naam (Asian leopard cat). Het ontstaan van het ras ligt in de V.S. , bij Mrs Jean Mill, toen nog Mrs Jean Sugden, Jean begon in de jaren 60 in samenwerking met een universiteit aan kruisingen van een Asian Leopard Cat ( ALC) met een huiskat om te kijken of de nakomelingen van de ALC ook immuun waren voor Feline Leukemie. Het was namelijk gebleken dat de ALC immuun is voor deze ziekte, Jean moest echter na het overlijden van haar man voorlopig stoppen met de ontwikkeling van de Bengaal. Begin jaren 80 begonnen zij en enkele andere fokkers de kruisingen die inmiddels weer opgestart waren tentoon te stellen. Zij hoopten dat de markt voor kleine wilde katten op een eind zou lopen als men een tamme, wild uitziende kat kon kopen. In Amerika was het namelijk vrij eenvoudig om een wilde kat in huis te nemen, met alle gevolgen van dien. Ook hoopten zij het dragen van bont van wilde katten tegen te gaan, je koopt toch niet gauw een bontjas van een kat die op je eigen kat lijkt, nietwaar? In Nederland kenden we dit probleem niet zo, want het was hier al jaren verboden om zomaar wilde katten in huis te nemen.Je hebt daar vandaag de dag nog steeds een speciale vergunning voor nodig.Maar, de bengaal was er en wij genieten er nu ook volop van! Nu, wat  gebeurt er nu precies om tot bengaal te komen?Vroeger moest men wel  een ander ras dan de bengaal nemen om een kruising met de ALC te doen. De bengaal was er eenvoudig nog niet. Men heeft dus andere rassen daarvoor gebruikt. Egyptisch Mau, abessijn, huiskat, burmees enz.Je raadt het al, met deze rassen kwamen er ook genen in de bengaal lijnen waar we nu niet blij mee zijn. Blauw, chocolate, lilac, effen, rood etc.Uit de kruising van een ALC met een tamme kat krijgt men de zogezegde F1. Dat wil zeggen, een generatie van het wild, dus een wildpercentage van 50%. De katers die uit deze kruising geboren worden zijn altijd steriel en voor de fok dus niet te gebruiken.   Veel van de poezen waren ook steriel, dus die hield en ze die in de hoop dat er zich een of twee konden voortplanten. Na de eerste generatie, (F1) krijgt men de tweede generatie (F2). Ook de F2 katers zijn allemaal steriel,   Maar al meer poezen zijn vruchtbaar. Ook de derde generatie (F3) levert nog voornamelijk steriele katers, hoewel een uitzondering wel produceert, maar met de poezen zijn er over het algemeen geen problemen meer met voortplanten. Eigenlijk moeten we de eerste 3 generaties allemaal hybrides noemen, omdat ze nog niet raszuiver zijn, meestal worden ze echter gewoon bengaal genoemd, wat dus eigenlijk fout is. Als je met fokkers van vroege generaties spreekt, zijn ze dan gepikeerd als je hun vroege generatie geen bengaal noemt, voor hen zijn het gewoon bengalen. Maar, naast de vruchtbaarheidsproblemen zijn er natuurlijk ook andere problemen in de vroege generaties, zoals onzindelijkheid, schuwheid enz. Vanaf de vierde generatie spreekt men van een Bengaal. Je mag dan ook verwachten dat de bengaal die je koopt, gewoon een lief dier is dat aanhankelijk en sociaal is (bron Neobengalen) De verschillen zijn nogal behoorlijk zie hier: F1 F2 + F3 F4   All Graphics, photos and text are © copyrighted and ® all rights reserved, ©  Webmaster: Michael Flohil, cattery Crazyroar. Pictures may be used with permission which will be given if asked for